Elf november 2018 bracht ik een zelfgeschreven tekst in het Dienstencentrum De Vrijgeweide in Borgerhout. Ik kroop in de huid van een in WOI gesneuvelde soldaat die in 2018 weer wakker werd.

Vanochtend nam God me even apart. Hij zei: ‘Voor één dag maak ik u weer levend. Trek van de plek waar gij gestorven zijt naar een plek waar de hemel, de zee en het land elkaar raken en op het einde van de dag moet gij aan de mensen daar vertellen wat ge hebt gezien. Daarna zult gij weer dood zijn.’

Welkom, allemaal, op deze elfde november. Welkom hier in Middelkerke, West-Vlaanderen. Allereerst excuses voor wat ik aanheb. Nadat ik dodelijk geraakt werd door een Duitse kogel ben ik in een gracht gevallen in Diksmuide. Mijn uniform hing vol slijk, dat was echt geen zicht. Vandaar dat ik iets eigentijds heb aangetrokken. U ziet het achter mij: de zon gaat stilaan onder. Dat wil zeggen dat mijn tweede leven er bijna opzit. U hoort het goed, mijn tweede leven. Mijn eerste leven eindigde 104 jaar geleden.

104 jaar geleden. Mevrouw, u bent aan het tellen. Inderdaad, 104 jaar geleden was het 1914, het begin van de Groote Oorlog. En toen al moest ik sneuvelen. Mijn graf was de modder van Diksmuide. Tot twee jaar geleden. Toen vonden ze tijdens verkavelingswerken mijn stoffelijke overschotten. Twee jaar lang hebben ze onderzoek gedaan op wat overbleef van mijn gesneuveld lijf. U heeft het misschien gelezen in de krant. (Plechtig) Voor het eerst hebben onderzoekers drie Belgische soldaten uit de Eerste Wereldoorlog kunnen identificeren via DNA-onderzoek. DNA, u weet natuurlijk waar dat voor staat. Ik niet, ik ben maar een simpele soldaat die eigenlijk al lang dood is.

Na honderdenvier jaar in de modder van de IJzer kreeg ik mijn naam, mijn gezicht terug. Ik ben Petrus Franciscus Emmanuel Pintens, geboren in 1890 in Mortsel. Soldaat bij het Twaalfde Linieregiment van het Belgisch leger. Ik was 24 jaar toen ik stierf. U vindt wellicht dat ik er vandaag goed uitzie. Wel, een moddermasker doet blijkbaar wonderen.

Naast persaandacht en een officiële begraving kreeg ik nog een cadeau, een kans. Een kans waar alle doden van dromen, denk ik. Van God – noemt u hem nog zo, God? – mocht ik één dag terugkomen, om te zien hoe het met de wereld gesteld is.

Tussen haakjes, heeft u het hier ook zo warm? Ik ga even iets uittrekken. In mijn tijd was het in november een pak kouder.

God deed wat niemand anders kan en hij maakte me weer levend. Daar stond ik dan, vanochtend, in Diksmuide, met nog één dag te leven. En heel benieuwd naar wat ik zou te zien krijgen. Het eerste wat ik zag was een spiegelende plas in de modder en wat verderop een konijn dat snel een hol inkroop. Ik dacht aan Alice in Wonderland, het sprookje dat mijn tante vaak voorlas bij het haardvuur. Ik dacht ook: veel is hier niet veranderd, uitgezonderd de vreemde huizen en gebouwen.

Wat doe je in hemelsnaam als je maar één dag te leven hebt? Ik besloot een fietstochtje te ondernemen naar de kust. De eerste beste fiets die ik vond, mocht ik nemen, zei God nog. Dat is een mooie fietstocht hoor, dat moet u echt eens doen. Na honderd jaar in de modder van de IJzer kon ik wat frisse lucht gebruiken. Onderweg heb ik vaak moeten hoesten. Alsof mijn longen last hadden van iets. In de oorlog was de lucht ook niet fris. De horizon van de IJzer was vaak niet te onderscheiden door die eeuwige stofwolk die boven onze hoofden zweefde. Overal zware, zwarte rookpluimen. En het gegrom van kanonnen, rechts, links, voor, achter… En spuitend bloed en afgerukte ledematen en de geur van rottende… Excuseer, ik liet me meeslepen.

Onderweg dacht ik na over de opdracht die God me gegeven had. God, die blijkbaar toch niet alles weet, vroeg aan mij hoe het met de wereld anno 2018 gesteld is. Wel, er is nog een wereld. Dat is al iets. Zelfs het café aan de Rattevallebrug is er nog, aan de vaart van Plassendale.

Ik zette mijn fiets tegen de gevel, liep het café binnen en bestelde aan de toog een pint. De waardin was erg behendig. Ze kon een perfecte Bavikpils tappen zonder ze ook maar één ogenblik keek naar wat ze aan het doen was. Van het nemen van een glas van het schap tot het serveren van de pint, de hele tijd waren haar ogen gefixeerd op een scherm met bewegende beelden. Dat scherm leek op wat u net in uw broekzak hebt gestoken. Ja, ja, dat heb ik gezien. Ik keek ook, terwijl ik mijn pint dronk. Ik zag beelden van een herdenking, de herdenking van de Eerste Wereldoorlog, las ik op het scherm. Even later zag ik beelden van Turkse bombardementen in het noorden van Syrië, aan de Eufraat. Aan dat front wordt nog altijd gevochten. Ik dronk mijn Bavik snel leeg, een bitter gevoel bleef achter in mijn keel. Hoe kan je nu een oorlog herdenken als hij nog volop bezig is?

Als ik om me heen kijk, hier op de dijk, dan vind ik dat het hier wel meevalt. Er zijn nog altijd lekkere garnaalkroketten te verkrijgen en de Rodenbach smaakt zelfs beter dan honderd-en-zoveel jaar geleden. Zo zie je maar.

Kijk, ik heb hier een hele dag zomaar wat rondgefietst en rondgewandeld en wat blijkt? De zee komt op en de zee gaat af, net zoals in mijn tijd. U, de mensen die ik tegenkwam, ziet er trouwens zo goed uit allemaal, weldoorvoed, gezond, een beetje vreemd gekleed weliswaar. Spelende kinderen overal, van de tering heeft hier niemand nog last? En die schermen waar u de hele tijd op tokkelt, zijn die duur? De mens is er niet slecht aan toe, me dunkt. De omgeving ook niet. Meer gebouwen dan vroeger. Maar er wordt gebouwd, dat is een teken van rijkdom. En daarstraks zag ik dat een beetje verderop, in Oostende, het standbeeld van Leopold II er nog altijd staat. Nog altijd een held, dus. Leve koning Leopold II.

Laat me iets vertellen over de reden waarom ik u exact op deze plek heb uitgenodigd. Daar op het strand, het is u zeker al opgevallen. Het is kunst, zo werd mij daarnet nog ingefluisterd. Het eerste wat ik zag waren een twintigtal ingegraven strijkplanken. Wat zegt uw verbeelding? Grafzerken zegt u? Straks, na mijn toespraak, moet u eens gaan kijken. U zal zien dat het spiegels zijn, gericht naar de zee. Wat moet dat vanop zee een mooi en glanzend beeld zijn. De zee die zich spiegelt. En ze is zelf al een spiegel. Een spiegel die een spiegel spiegelt. Te gek. Ik dacht aan dat sprookje dat mijn tante vroeger voorlas bij de haard: Alice in Spiegelland. Op een bordje las ik dat het werk is opgedragen aan de Noord-Afrikanen die tijdens de Groote Oorlog gesneuveld zijn.

Inderdaad, de spahi’s. Toffe gasten. Ruiters van de Franse koloniale troepen. Met hun tulbanden, lange gewaden en zwarte baarden leken ze op rovers. Zij aan zij vochten ze met ons in Diksmuide en omstreken. Opperbeste kerels. Ik heb samen met hen nog een mager schaap de keel overgesneden en omgekeerd boven een vuur gehangen. Dat smaakte. Even vergaten we die andere slachtpartijen, het gekrijs, spuitend bloed, afgerukte armen… Maar ik zal het gezellig houden. Misschien moeten u nog eten vanavond? Garnaalkroketten iemand? Rodenbach erbij?

De spahi’s. Worden ze nog altijd zo genoemd? Mannen uit Algerije, Tunesië en Marokko die verplicht werden om voor het Franse leger te vechten. En dus ook te sneuvelen. Want we sneuvelden bij bosjes toen, bij de slag om Diksmuide. Ik ben getuige.

Het verbaasde me dat die gasten uit de Franse koloniën verplicht werden hier te komen vechten. Onze heldhaftige Leopold II heeft bij mijn weten geen Congolezen naar het front aan de IJzer gestuurd. Ooit las ik in een krant waarom niet: ‘De Afrikaanse soldaat die in Europa blanken heeft neergeschoten en met de bajonet gedood, zou zijn geloof in de blanke superioriteit verliezen.’ Ik geef het toe, toen moest ik fronsen. Staat dat gedachtengoed vandaag de dag nog overeind, zoals het standbeeld van Leopold II nog altijd fier rechtop staat?

Weet u wat me nu te binnen schiet als ik naar die grafzerken kijk? Dat het een eerbetoon is aan alle slachtoffers die op zee gesneuveld zijn, in eender welke oorlog.

Ik had dan toch die fiets genomen, dan kon ik er maar beter gebruik van maken. Ik fietste een uurtje in westelijke richting tot ik in Jabbeke uitkwam. ‘Jabbeke’ zeiden we vroeger, dat is een snoepje in het Antwerps. Nu nog? Ik ben geboren in Mortsel en heb lang in Hoboken gewoond. Wat is lang natuurlijk. Ik ben maar 24 geworden, dat is een pak jonger dan u hier op de dijk. Ik ben eigenlijk een snotneus. Een snotneus die graag jabbekes eet. Van aan die jabbekes te denken, kreeg ik honger. Ik zag iets wat op een winkel leek. En waar wagens massaal brandstof tankten. In mijn tijd waren er alleen militaire voertuigen, maar nu blijkt u allemaal zo’n voertuig te hebben. Alsof u ten oorlog moet… Zeg dat het niet waar is.

Naast de winkel zag ik een betonnen vlakte. E40 las ik op een bord. En op die vlakte zag ik naast vrachtwagens met kleurrijke nummerplaten ook grote groepen mannen, vrouwen en kinderen, sterk lijkend op de Spahi’s, de soldaten die aan mijn zijde gevochten hebben. Geroep, gescheld, geduw, getrek, politie erbij. Geen gezellige boel. Bent u al eens in Jabbeke geweest? Of rijdt u er alleen maar snel voorbij?

Het was niet voor het eerst dat ik me afvroeg wat er is gebeurd met de wereld terwijl ik in de modder van de IJzer lag. De spahi’s van deze tijd vertelden me dat er zelfs geregeld mensen sneuvelen tijdens hun vlucht van huis naar betere oorden. Door politiekogels? Moet ik dat werkelijk geloven?

Weet je wat Koningin Wilhelmina van Nederland zei bij het uitbreken van de Groote Oorlog? Het stond in alle kranten. ‘Nederland ontvangt met open armen alle ongelukkigen die binnen zijn grenzen toevlucht zoeken.’ Wat zegt onze huidige koning van de toestanden op die betonnen vlakte? Heeft hij daar een mening over? Of wordt er naar hem niet meer geluisterd? Wie heeft het nu voor het zeggen in België? Wat zegt de Eerste Minister? Wat zeggen de politici?

Je zou denken dat de avond verkoeling brengt, maar ik krijg het alleen maar warmer. U ook?

Ik ben dan maar teruggefietst naar hier, naar Middelkerke. Middelkerke, dan denk ik altijd aan: de kerk in het midden houden. Dat kunnen wij hier in Vlaanderen goed.

Mijn dag zit er bijna op. Straks kruip ik tussen de grafzerken het zand in.

Zoals zeeschildpadden zich ingraven op het strand waar ze ooit geboren zijn, met hun achterpoten een kuil makend om er behoedzaam een honderdtal eieren in te leggen, nieuw leven dat geduldig wacht om geboren te worden, zo kroop ik vroeger voorzichtig de loopgraven in, om er metersdiep te wachten op mijn lot: doden of gedood worden.

Wie weet krijg ik van God binnen honderd jaar weer een nieuw leven en kan ik hier nog eens komen kijken, met de blik van een pasgeboren zeeschildpad. (Streng) Meneer, gelooft u misschien niet dat ik hier ben in opdracht van God? Of gelooft u überhaupt niet meer? Oei, met Duitse woorden als überhaupt, daar moet ik misschien mee oppassen.

Waar was ik? Ah ja, de blik van een pasgeboren zeeschildpad. Met die grote, zwarte ogen, bijna groter dan het schild. Wat denkt u dat zal ik zien binnen honderd jaar? Hoe warm zal het dan zijn? Hoe proper zal de lucht zijn? Zal er nog altijd gevochten worden? Maar de zee, die zal nog altijd opkomen en afgaan, dat denk ik wel. En de garnaalkroketten zullen nog even lekker zijn.

Kruipen pasgeboren zeeschildpadden niet zo snel mogelijk richting de zee? Omdat ze anders verschalkt worden door vissen of vogels op zoek naar een lekkere hap?

Mijn tijd zit erop. Misschien tot binnenkort, binnen een kleine eeuw ofzo. Eens kijken of er dan iets nieuws onder de zon is.


(Igor Daems - 2018)