Guido stadsgids - editie Antwerpen

De Guido stadsgids biedt studenten tips voor een geweldig studentenleven. Voor de editie 2015 Antwerpen schreef ik over de beste cafés, restaurants, cultuurhuizen en sportgelegenheden. De Guido stadsgids is als gedrukt exemplaar beschikbaar maar de content vind je ook online en in de app.


Lazy Monday #002

Ik interviewde Steve Ockhuysen van cocktailbar Old Fashioned en Mouche Van Hool van Hotel Julien voor het tweede nummer van Lazy Monday. Lees het hier


Lazy Monday magazine

Voor het nulnummer van Lazy Monday, een magazine vol gepassioneerde verhalen van horecamensen, interviewde ik Bert Van Wassenhove, Christel Cabanier en Massimo Verhaeghe. Lees het magazine. 

The Ride - Injured Gazelle

  The Ride Journal is een Brits fietsmagazine dat focust op persoonlijke fietsverhalen, originele illustraties en prachtige fotografie. Voor de negende editie (verschenen in december 2014) schreef ik een stukje over de Retro Ronde van Vlaanderen en mijn val tijdens die koers. Tom Hislop maakte er een fraaie illustratie bij. Andere fietsers die voor deze editie een stukje schreven zijn onder meer Marianne Vos en profwielrenner Nicolas Roche. The Ride Journal bestel je via hun website of koop je bij een fietswinkel die het magazine verdeelt. In België is dat voorlopig enkel Exceller Bikes in Brugge. 

 

The Ride Journal is een Brits fietsmagazine dat focust op persoonlijke fietsverhalen, originele illustraties en prachtige fotografie. Voor de negende editie (verschenen in december 2014) schreef ik een stukje over de Retro Ronde van Vlaanderen en mijn val tijdens die koers. Tom Hislop maakte er een fraaie illustratie bij. Andere fietsers die voor deze editie een stukje schreven zijn onder meer Marianne Vos en profwielrenner Nicolas Roche. The Ride Journal bestel je via hun website of koop je bij een fietswinkel die het magazine verdeelt. In België is dat voorlopig enkel Exceller Bikes in Brugge. 

Chauvinisme troef in Trix

Ik beken: ik ben geen rasechte Antwerpenaar. Ik ben geboren uit twee Merksemnaren en groeide op in Schoten, in de wijk den Deuzeld. Ik mis dan ook het typisch Antwerps chauvinisme. Ook een Belgische (of Vlaamse) vaderlandsliefde is mij vreemd tenzij:

- de Rode Duivels vierde worden op een wereldkampioenschap (ik heb nog nooit zo graag naar een match in uitgesteld relais  gekeken als toen in 1986)

- een Belg de koers wint: hoor ik de woorden ‘Tommeke, Tommeke, Tommeke!’ dan springen mijn armharen spontaan rechtop om de Belgische vlag te groeten

- het over Belgische muziek gaat

De eerste keer dat ik dEUS zag optreden op MTV, dat was een geweldige opstoot van Antwerpse trots. Zeker toen ik ontdekte dat die bassist-met-haar-in-zijn-ogen (Stef Kamil Carlens) jarenlang twee straten verder had gewoond in jawel, den Deuzeld. 

De liefde voor Belgische muziek is nooit overgegaan, zie ook mijn stukje over lopen in Spoor Noord op Antwerpse muziek. Bijna twintig jaar later is er nog always something in the air. Er wordt nog steeds fantastische muziek gemaakt in dit klein stukje Europa en daar mogen we fier op zijn. 

Ontdek het zelf tijdens We Are Open in Trix op 14, 15 en 16 februari. The Van Jets, Sir Yes Sir, Echo Beatty, Flying Horseman, Douglas Firs, Hong Kong Dong en vele anderen laten op drie avonden de rest van de wereld een muzikaal poepie ruiken. Kom dat zien! 

Elke dag koers

(of de stem die ik in mijn hoofd hoor wanneer ik samen met mijn liefje naar het werk fiets)

Daar komen ze in beeld, dames en heren, de twee leiders in koers: De Craene en Daems. Ze zijn al een tijdje samen onderweg en het lijkt erop dat zij voor de overwinning gaan strijden, hun voorsprong is geruststellend groot. Ze rijden hier achter elkaar, dat is ook het veiligst gezien het drukke verkeer in de Viséstraat en de Oranjestraat. Nu even opletten want er volgt een moeilijke bocht naar links met meteen daarna een korte kasseistrook voor het huis van Panamarenko. Het schijnt dat onze televisie-helikopter zou kunnen landen op het dak. Inderdaad daar is een helikopterplatform gebouwd. Dat zijn mooie beelden.

Rood licht

Maar terug naar de koers want de koplopers zijn al in de Oude Steenweg. Het tempo blijft hoog, hopelijk hebben ze nog energie genoeg om de altijd winderige strook langs het Sint-Jansplein te trotseren. Dat lukt, nu komen ze aan de Leien, hier kunnen ze even op adem komen aan het rode licht. Ze beginnen naar elkaar te kijken, logisch natuurlijk want het is niet ver meer tot aan de aankomst.

Groen! Een snelle start is nodig zodat ze ook bij het volgende licht door het groen kunnen rijden. Ze rijden op de Paardenmarkt en maken zich klaar voor het moeilijkste stuk van het parcours: de kasseien van de Falconrui. Het zou mij niets verbazen mocht hier de beslissing vallen.

Wordt het een sprint?

Een bocht naar rechts en meteen linksaf en hier komen ze. Daems gaat op kop en gaat er vol voor, er valt een klein gat maar De Craene bijt zich vast en lost niet. In de Huikstraat komt ze terug aansluiten. Gaan we naar een sprint?

De laatste honderden meters, dames en heren, we naderen de ontknoping. Het tempo stokt, ze kijken naar elkaar. Daems gaat op kop de Zirkstraat in, nog één bocht naar links en we zitten in de laatste rechte lijn. In het zicht van de vaste camera gaat Daems nu vol door op het vals plat van de Hofstraat. Wat een kracht gaat daarvan uit! Maar De Craene plooit niet, nee nee, het is nog niet gedaan. 

Daems voelt zich zegezeker en kijkt rechts achterom. Maar wat hij niet ziet is dat De Craene langs links demarreert, op de grote plaat. Kan Daems nog reageren? Ik denk het niet, hij moet eerst schakelen en dat duurt zo lang.

De laatste meters

De laatste meters gaan bergaf de Wisselstraat in. Daems probeert nog maar De Craene gaat dit niet meer afgeven. Zij komt als eerste over de streep. Ja ja, dames en heren, kijk eens naar de blijdschap op haar gezicht. Mooi om zien. Daems volgt enkele seconden later en klopt ontgoocheld op zijn stuur.

‘Morgen is er een nieuwe kans, Michel’, vertelt Daems achteraf aan onze commentator. ‘Nu ga ik me niet meer laten ringeloren. Maar als je ons nu wil excuseren, het is bijna 9 uur, we moeten beginnen werken.’

Bedankt om te kijken, dames en heren, en graag tot een volgende keer! 

Source: http://www.dna.be/blog/elke-dag-koers

Living On Impulse: jazz om de hele winter mee door te komen

In een interview naar aanleiding van de release van ‘Living On Impulse!’, een bloemlezing uit het oeuvre van het jazzlabel Impulse!, zei samensteller Tom Barman: ‘popmuziek komt naar je toe, jazz moet je zelf opzoeken.’ In die wereld van 100 jaar jazzgeschiedenis kan je als leek inderdaad best een gids gebruiken. Barman is een logische keuze voor deze compilatie want de frontman van dEUS liet ons al kennismaken met zijn voorliefde voor het genre in zijn film ‘Anyway The Wind Blows’ en deed voor het legendarische Blue Note label een gelijkaardige oefening in ‘That’s Blue – Painters Talking’. Ook in de muziek van dEUS zitten verwijzingen naar jazz: ‘Theme From Turnpike’ is opgebouwd rond een sample uit ‘Far Wells, Mills Valley’ van Charles Mingus en op Pocket Revolution staat het machtige ‘Sun Ra’, genoemd naar één van de meest controversiële jazzcomponisten ooit.

Het Impulse! label specialiseerde zich in avant-garde jazz. Laat die term je echter niet afschrikken want er staat veel mooie muziek op deze driedubbele plaat. De bekendste naam is wellicht John Coltrane, de belangrijkste artiest voor het label. Hij is vertegenwoordigd met twee nummers waarbij ‘Alabama’, zijn antwoord op een aanslag van de Ku Klux Clan in Birmingham, Alabama. Ook zijn vrouw, Alice Coltrane, kreeg een plaatsje. Zij is een uitstekende pianiste en harpiste en haar nummer ‘Turiya & Ramakrishna’ springt eruit dankzij onverwachte Oosterse invloeden.
Max Roach is een andere bekende naam. Eén van de beste jazzdrummers aller tijden en een persoonlijke favoriet van Tom Barman. In zijn ‘Living Room’ hoor je een koor dat zingt als een trompet (je moet het horen om het te kunnen geloven) en in ‘Lonesome Lover’ gaat datzelfde koor in duet met leadzangeres Abbey Lincoln met als resultaat een prachtig liefdeslied.
Jachtiger gaat het er aan toe bij Ahmad Jamal. Zijn ‘Manhattan Reflections’ heeft de naam niet gestolen want tijdens het luisteren wordt je insta pede gekatapulteerd naar de grootstad. Het is valavond en een hevige rugwind stuwt je vooruit. De rest van het filmscenario laat je je maar vertellen door het fantastische samenspel van piano en bas. Een fris briesje hoor je dan weer bij Curtis Fuller in ‘The Breeze and I’, de ideale soundtrack bij een zomerse avondwandeling langs de rivier, hand in hand met ‘the one you love’.  
Het is geen hapklare brok deze verzameling, zo zijn de twee composities van Michael White voor mij te complex. Maar als intro in de jazzwereld kan het tellen. Hier komen we gegarandeerd de koude winterdagen mee door.   
Source: http://littlecloudsofsounds.blogspot.be/20...

Jacques Brel: Master of Chanson

Jacques Brel was one of the most celebrated singers of his generation; a musical icon who reinterpreted the Chanson in an emphatic and poignant way before his tragic early death. Igor Daems looks at this Belgian icon’s life and work.

Many people from around the world assume that Jacques Brel, the Master of the Chanson, was French. He was of course Belgian; in fact Jacques Brel was probably more Belgian than anyone else living in this small country. Born in Schaarbeek, Brussels, he considered himself to be a French-speaking Belgian with Flemish roots. He mostly sang in French but his first success was in Flanders. The rest of Belgium followed soon; so did France and the rest of the world. ‘Quand on n’a que l’amour’, a sweet love song, was his breakthrough song. Very soon his work became sadder and gloomier. Three themes would always come back in his lyrics: a critique of the bourgeois morals that he knew from his childhood (‘Les Flamandes’), love (often more painful than joyful as in ‘Ne me quitte pas’) and death (‘La mort), making his work very literate and theatrical.


Off stage his life was equally frenetic: he loved to drink, to smoke and to flirt. Fed up with his abandoned lifestyle and afraid that he couldn’t do any better artistically, he quit performing in 1967 and started acting in movies. He would ultimately play in ten films but never attained the level of success he had with his singing career. His love for women was also legendary. Although he married Thérèse Michielsen in 1950 (when he was 21), he soon left her and the three children they had together and lived alone. He never divorced his wife but that didn’t stop him from having more than one affair. In 1972 he met Maddly Bamy and, after learning to fly and to sail, ended up with her in Hiva Oa, one of the Marquesas Islands in French Polynesia.

On stage he was a performer in the true sense of the word. 300 shows a year were no exception for him and on stage he always gave his best, playing and performing like a clown. Later his role on stage developed into being a sad poet, passionately showing his pain to the audience with his body language, tears included. His performances were so intense that he attracted a huge audience, even in countries where people didn’t understand a word he sang. He quickly became successful worldwide, playing shows in Moscow and New York, which was quite an achievement for a singer of French songs. Famous fans include David BowieScott WalkerDusty Springfield and Frank Sinatra; some of whom even covered his music.

Jacques Brel suffered from lung cancer and in 1978 his health began to fail. He was flown back to Europe where he died in a French hospital on October 9th 1978 at the age of 49. His body was flown back to Hiva Oa where he was buried close to French painter Paul Gauguin. He remained very popular throughout the years, not in the least thanks to the many artists covering his songs. His most famous chanson is probably ‘Ne me quitte pas’ which was recorded by artists like Frank Sinatra and Barbara Streisand as ‘If you go away’. In 2005 he was elected as ‘The Greatest Belgian of All Time’ by the audience of RBTF, the French-speaking Belgian television station.

Recensie Marble Sounds - Dear Me Look Up (2013)

Als ik aan het geluid van knikkers (of marebollen of ketten, zoals u wil) denk, dan gaan mijn gedachten naar de zee. Naar die betoverende dagen wanneer onze nonkels aan het bouwen sloegen met het strandzand en met zeewater dat door ons, kinderen van zes tot twaalf jaar, in emmertjes werd aangevoerd. Ze maakten een berg die zeker twee meter hoog kon worden. Op die berg ontwierpen ze een parcours. Een racetrack voor knikkers.

Als de kettenberg, want zo noemde de bomma het kunstwerk, af was dan mocht elk kind een gekleurde knikker kiezen uit de uit Merksem meegebrachte bokaal. Een nonkel verzamelde alle knikkers en zette ze klaar aan de startstreep bovenop de berg. Aftellen deden we allen samen in het Frans, onder invloed van de Tour de France. Troix – deux – un: GO!
De knikkers baanden zich in de brandende julizon een weg naar beneden. Door haarspeldbochten, één voor één door een single track, door tunnels en over kleine hellingen. Sommige knikkers vlogen uit de bocht, andere bleven steken in het zand maar het merendeel kwam er zonder kleerscheuren vanaf en mengde zich in de spurt voor de eerste plaats.
Als ik daaraan terugdenk dan hoor ik het opnieuw: het geluid van rollende en botsende knikkers, de branding van de zee op de achtergrond en mijn eigen ingehouden adem.
Toeval of niet maar de nieuwe plaat van het Belgische Marble Sounds – het geluid van knikkers, snapt u? – past met songtitels als ‘Summer of the Sun’, ‘Ship in the Sand’ en ‘Photographs’ wonderwel in dat plaatje. En de muziek ook. Want die klinkt als een melancholisch zeebriesje; fris, zanderig en zonnig tegelijk. Een topplaat van eigen (zand)bodem met tien songs die er staan als een perfect gebouwde kettenberg. Zo’n album waarbij je na de laatste song zo snel mogelijk terug naar het begin wil. Net zoals we altijd weer opnieuw de knikkers van die berg wilden zien glijden.

Reisverslag Brooklyn, New York (2011)

Naar New York gaan en toeristische hoogtepunten zoals het Vrijheidsbeeld en de Empire State Building links laten liggen? Niet aanschuiven om een lastminute ticket voor een musical te bemachtigen? De etalages van Fifth Avenue totaal negeren? Het kan. En het voelt goed. Ik deed het, met de hulp van J., mijn Brooklyn gids voor vier dagen.

Hoofdpijn op een vlucht, het is zoiets als een mug die je de hele nacht irriteert terwijl je in het ziekenhuis ligt met twee gebroken armen … niet aangenaam. Maar een vlotte transfer van Newark Airport naar Manhattan, een metrorit naar Brooklyn, twee Dafalgans en een hazenslaapje later ben ik dat helemaal vergeten en klaar voor een eerste avond Brooklyn. Over jet lags zijn al een bibliotheek aan boeken en websites volgeschreven. Maar ik waag me toch aan mijn eigen tip: probeer uw eerste avond in de States tot minstens uw normale bedtijd (lokale tijd) op te blijven. Gaat u vroeger slapen dan kan u de plaatselijke haan wellicht zelf wakker kraaien de volgende ochtend. Ik heb met J. om zeven uur afgesproken, dat helpt natuurlijk om die eerste avond door te komen.

Brooklyn telt vele parken dat zie ik meteen op het stadsplan dat de baliebediende van het hotel mij heeft toegestoken. Fort Greene, onze eerste bestemming, is er één van. Een avondlijke wandeling in het park is mijn ideale opstapje naar het hete julitemperaturen in New York. Wat mij meteen opvalt is het grote aantal sporters en wandelaars op een doordeweekse donderdagavond. Voetbal (soccer) is hier helemaal in, dat heeft natuurlijk te maken met de finaleplaats van de Amerikaanse vrouwenvoetbalploeg op het WK. We zetten ons op een drempel en we praten bij terwijl we het parkleven aanschouwen.

Op advies van mijn rommelende maag (het vliegtuigeten heb ik aan mij laten voorbijgaan, de hoofdpijn was voldoende miserie) wandelen we naar een piepklein Mexicaans restaurantje: Pequena. Vriendelijke begroetingen, heel tof. In vijf minuten vier keer komen vragen of we al een keuze hebben gemaakt, minder heel tof. Zo Amerikaans zijn ze hier wel, die Mexicanen. Het moet vooruitgaan. Maar voor de rest niets dan lof: we drinken verkoelende Margueritas en eten taco (zij) en quesadilla (ik). Met iets bananenachtig met zure room als toetje. Overheerlijk. Wie zei er nu al weer dat je in de USA niet lekker kan eten? U kan deze zin trouwens copy/pasten naar elke culinaire verwijzing in dit artikel.  

Uitgeslapen wakker worden om zeven uur ’s ochtends, het blijft iets dat me enkel in Amerika overkomt. Vandaag onderneem ik mijn eerste metroreis door Brooklyn. J. heeft me de vorige avond de weg uitgelegd maar ik ben toch op mijn hoede nadat ze daar meteen bij vertelde dat zij, na vier jaren in Brooklyn gewoond te hebben, nog steeds af en toe de verkeerde metro neemt. Maar geen nood, ik vind vlot mijn weg en om tien uur bemachtig ik een tafeltje in Joyce Bakery, een gezellige coffeeshop (denk niet aan Amsterdam maar aan lekkere koffie en gebak). Even later waait J. binnen met haar laptop in haar hand. Ze heeft werk te doen en dan komt de gratis wifi (waaifaai in het Engels) hier van pas. Dit moet je er bijnemen als je met een local op stap gaat, zij hebben nog een leven waar ze af en toe energie moeten insteken. Terwijl zij tokkelt en belt, geniet ik van een rustig ontbijt van koffie, croissants, yoghourt en de USA Today.

We trekken naar Manhattan, naar het Museum of Modern Art (MoMa). Nog geen halfuur later wandelen we het museum binnen en nemen we de roltrap naar de bovenste verdieping waar het werk van Francis Alys te zien is. “Born in Antwerp, Belgium” vermeldt het infobord en ik voel een soort trots opsteken. De tentoonstelling wordt druk bezocht en ik zie veel lachende gezichten bij de bezoekers. Geen wonder, de projecten van Alys zijn heel toegankelijk en zijn niet gespeend van humor. ‘Amazing!’ zegt J. achteraf. ‘Er zit zoveel hoop in zijn werk.” Yes, ik heb gescoord. België heeft gescoord. Ik hoop dat ze nu niet naar de politieke toestand van ons landje vraagt of ik ben terug bij af wat die trots aangaat.

Een uitgebreid ontbijt zorgt voor een lunch-overslaand gevoel dus we gaan meteen verder met ons volgende bezoek. High Line Park is een nieuw park in Manhattan waarbij een oud, vervallen goederenspoor werd omgetoverd tot een wandelboulevard met heel veel groen, bloemen en daarin geïntegreerde kunstwerken. De architecten hebben ook gedacht naar verwijzingen naar het industriële verleden. Ik denk aan Spoor Noord in Antwerpen. We kopen een frisco (limoen/framboos voor haar, papaya/passie voor mij) en flaneren van 34th Street tot Gansevoort Avenue. Onderweg hebben we een fantastisch en telkens veranderend zicht op het New Yorkse leven dat zich 10 meter lager afspeelt.

Nu hebben we echt honger. We dalen af en lopen enkele blokken naar Chelsea waar J. een typisch burgerrestaurant kent. Het is half vijf ’s middag en de zaak zit vol etende mensen. In New York kan je op elk moment van de dag eten. De burger die je hier voorgeschoteld krijgt (met cheddar voor mij, een vegetarisch exemplaar voor haar) zien er erg smakelijk uit en ze zijn het ook. Denk niet aan Mc Donalds maar aan een sappig stuk vlees met verse tomaten, sla, ui, augurk en een mals broodje. Ook al had ik reuzehonger, ik krijg amper de helft op. Maar lékker, of zei ik dat al? We drinken er een lokaal biertje (Greenport Harbor Ale) bij ook al staan Stella Artois, Duvel en Hoegaarden prominent op de kaart. Belgische bieren, ze zijn groot in New York.

Om onze volle magen wat rust te gunnen gaan we naar het water, naar het Chelsea Waterfront Park aan de Hudson. J. wijst me haar kantoor aan, aan de overkant van de rivier, on the Jersey side. Ze toont me ook de plek op de Hudson waar een vliegtuig vol passagiers enkele jaren geleden een geslaagde noodlanding maakte. We leggen ons op het zachte gras en het duurt niet lang of ik dommel even weg. Het geluid van overvliegende helikopters en het gezellige rumoer van een afterwork-feestje op een wat verderop gelegen boot houdt me uit een diepe slaap.

Enkele uren later wandelen we door een achterafbuurt van Brooklyn. J. wil me het Gowanus kanaal laten zien. Dit water is al jarenlang het doelwit van vuil-lozende bedrijven. Het water ziet er inderdaad niet al te proper uit en de geur, tja denk even aan een mengeling van rotte eieren en stinkzwammen en u komt in de buurt. J. vertelt me dat de overheid vandaag op een kruispunt staat: het hele kanaal saneren of … is er eigenlijk een alternatief? Aan de buurtbewoners zal het niet liggen: ik merk op verschillende plekken posters in etalages met de boodschap “save the Gowanus Canal”. Er is nog werk aan de winkel.

Opnieuw in de welriekende wereld aangekomen loodst J. me binnen in Union Hall, een bar/club. Ik merk weer een uitgebreid aanbod aan Belgische bieren op (Chimay!) maar mijn oog wordt meteen getrokken naar de sport die hier indoor gespeeld wordt: Bocce Ball. Denk aan een mix van petanque en het Britse bowls (dat je vroeger wel eens op een regenachtige zaterdagmiddag tegenkwam tijdens het zappen). Met een pint in de ene hand gooien dames op hoge hakken met een grote bal naar een kleinere bal. Ondertussen luide muziek op de achtergrond en enthousiaste toeschouwers aan de kant. Wij begeven ons naar de kelder waar Extra Arms van jetje geeft. Een stel jonge gasten op het podium, luide gitaren en dansende fans zuigen mij mee in hun optreden. Ik krijg kippenvel: stel dat deze gasten the next big thing worden? Brooklyn heeft namelijk een reputatie: onder meer Lou Reed, Grizzly Bear, The National, MGMT en Yeasayer hebben hier hun roots. Na het optreden stelt J. me voor aan L., haar vriendin die dj’t na het optreden. Zij raadt me aan om zeker Williamsburg te bezoeken, “a very cool place”. Door de luide muziek kan ik me maar moeilijk concentreren op de andere dingen die ze zegt en de vermoeidheid begint zijn tol te eisen. Ik neem dus wijselijk een taxi naar mijn hotel. Maar ik ben nog niet thuis. De chauffeur weet niet hoe hij moet rijden en ondanks de hulp van een gps rijdt hij de volledig verkeerde kant uit. Ik lig dus toch nog later dan gepland in mijn bed. Helaas een typisch New Yorkse ervaring, vertelt J. me de volgende dag.

Op zaterdag staat de Farmer’s Market aan Prospect Park op het programma, een vaste afspraak in J.’s agenda. Ik ben vroeg wakker en start de dag met een bagel met cream cheese, koffie en de New York Times. Zo zit ik op een bankje op Vanderbilt Avenue de joggers, hondenuitlaters en fietsers te observeren. Het lijkt alsof ik meespeel in Smoke, de film met Harvey Keitel en William Hurt die zich in Brooklyn afspeelt. Ik voel me met de minuut New York-er worden.

Op de markt kopen we verse blauwe bessen en perziken. We installeren ons op een dekentje op een schaduwrijk plekje in Prospect Park en halen onze boeken boven (zij: Freedom van Jonathan Frentzen, ik: Een Geschiedenis van Mijn Zenuwen van Siri Hustveth). Trouwens, deze laatste woont samen met haar man en schrijver Paul Auster in Park Slope, maar enkele stappen hier vandaan. En ook Jonathan Safran Foer (bekend van Extreem Luid en Ongelooflijk Dichtbij) en zijn vrouw Alison Krauss (bekend van De Geschiedenis van de Liefde) wonen in Brooklyn. We worden enkel gestoord door kleine, spelende kinderen die zo schattig zijn dat we niets anders kunnen dan ze aanspreken. En daarna praten we met de ouders. Ik had niet gedacht zo makkelijk contact te maken met New Yorkers, hier in Prospect Park lijkt iedereen heel vriendelijk.

Plots krijgt J. een sms van haar kamergenote. Zij heeft twee tickets over voor de vertoning van de nieuwste Harry Potter film in een cinema in Manhattan. Ik heb nog nooit een HP film gezien, laat staan de boeken gelezen maar laat me toch meesleuren. Een half uur later banen we ons een weg door de mensenmassa op en rond Times Square. We moeten ons haasten en ik moet bijna lopen om J. en haar tempo te kunnen bijhouden. Niet te geloven hoe snel die New Yorkers kunnen stappen. Allemaal kandidaten voor het podium van het snelwandelen op de Olympische spelen. Ondertussen komt er zoveel op ons af: flitsende neonreclames, toeterende taxi’s, we moeten uitwijken voor fotograferende toeristen (die gewoon stilstaan! Hoe bestaat het!), straatverkopers, … Chaos ten top. Een groter contrast met de rust in Prospect Park kan er niet zijn.

’s Avonds eten we sushi bij Geido, we zijn opnieuw in Brooklyn. Weer zo’n adresje waar je als “normale” toerist nooit zou komen. Het is er luid, we zitten bijna op de schoot van de buren en de muren zijn zo vol geschilderd (met boodschappen van bezoekers) dat ze op ons af lijken te komen. Maar zo lekker was sushi nog nooit. Na het eten neemt J. mijn notitieboekje en schrijft ze haar tips voor de volgende dag op. Zij moet werken in de voormiddag en we spreken af dat we in de namiddag samen naar het strand gaan.

Ik ontbijt de volgende dag in een typische diner zoals wij die alleen van films kennen (denk aan de overvalscène in Pulp Fiction). Daarna wandel ik door Court Street naar de wijk Carroll Gardens. Hier speelt Auggie Wren’s Christmas Story zich af, het verhaal van Paul Auster waar Smoke op gebaseerd is. IK loop verder naar Brooklyn Heights, een wandelpromenade niet ver van Brooklyn Bridge met een prachtig zicht op Manhattan. Ik zoek mij een vrije bank en lees verder in mijn boek. Beter kan een zondagvoormiddag niet zijn. Ik betrap mezelf op de gedachte dat ik hier wel zou kunnen wonen.

Ik neem de metro naar 5th Avenue (die van Brooklyn, originele straatnamen bedenken, dat kan zo op het to-do lijstje van de Amerikanen) en stap Gorilla Coffee binnen (weer een tip van). Ik bestel een Macchiato en terwijl ik even opkijk uit mijn boek zie ik dat een jonge, blonde schoonheid mij lief toelacht. “How are you doing?” vraagt ze en ik denk meteen aan Joey van Friends. Een schaapachtige glimlach en twee minuten later antwoord ik (in mezelf want die blonde godin is natuurlijk al lang verdwenen): perfect, just perfect.

We zijn niet de enige met strandplannen op de metro. Haast iedereen draagt strandslippers en heeft een strandtas op de schoot. Ik zie ook een jongen zijn surfplank omhelzen in plaats van zijn lief.

Het strand lijkt op dat van de Belgische kust, niet speciaals zult u denken. Maar toch voel ik mij op de een of andere manier speciaal. We trekken om de beurt naar het water zodat we onze spullen niet alleen hoeven te laten. Heerlijk warm zeewater en hoge golven. Nadien al liggend opdrogen. Net op het moment dat ik me begin af te vragen of ik nog steeds in New York ben, doet J. doet een zak pretzels open en biedt ze me een grabbel aan. Ja dus, ook dit is New York.

Ook voor het laatste avondmaal heeft J. een fantastisch restaurantje uitgekozen. We spreken meteen daar af. Ik voel mij hier zo thuis dat ik blindelings mijn weg vindt van het hotel, op de metro, tot aan het restaurant. Onderweg vraagt een vrouw mij waar ze metrolijn B kan nemen. “Wandel twee blokken top op Hoyt Street en je ziet het station op je rechterkant” hoor ik mezelf zeggen. Ik vertel het aan J. en ze glimlacht met trotse ogen. “Ik heb mijn job gedaan” zegt ze “je bent een echte local nu”. Ik krijg het warm vanbinnen (ok, daar kan die grote slok lekkere Merlot ook iets mee te maken hebben maar toch). Wie heeft al die toeristische attracties nodig? Draait reizen hier niet om? Een stad beleven in plaats van bezoeken?

Op mijn laatste driekwart dag (de terugvlucht is pas ’s avonds) trek ik naar Williamsburg zoals mij aangeraden door L. J. moet vandaag werken en heeft me gisterennacht nog een e-mail vol tips doorgestuurd en deze wijk stond ook prominent bovenaan haar lijstje. Haar eerste tip leidt mij naar de bar “Den Spuyten Duyvel”, hier worden de Nederlandse roots van Brooklyn (genoemd naar Breukelen) wel erg duidelijk. Ik heb meer interesse in het gebouw ernaast: The Knitting Factory. De legendarische club die vaak werd genoemd als invloedfactor van dEUS, mijn favoriete Belgische band. De club is natuurlijk gesloten om tien uur ’s ochtends maar ik kan wel een blik door het raam werpen. Ik zie geschilderde portretten van Bruce Springsteen en Thom Yorke.

Even verder kom ik op Bedford Avenue, een levendige straat met boekenwinkels, platenwinkels en vintage shops. Ik voel me er meteen thuis, niet voor het eerst denk ik aan Berlijn. Ik een supermarkt koop ik verse ijsthee en vers fruit (aardebeien, blauwe bessen en ananas) en ik installeer mij in Mc Carran Park. Verderop zie ik een mierenkolonie van trucks, hoogtewerkers, camera’s en mensen aan het werk: dit moet een filmopname zijn. Op een bord lees ik dat er scènes voor een nieuwe HBO-serie worden opgenomen (Girls). Wat zijn Amerikanen toch duidelijk in hun communicatie. Ik word vriendelijk gevraagd om niet te dichtbij te komen tenzij ik figurant wil spelen, dan verwacht men dat ik de hele middag blijf. Aanlokkelijk voorstel maar ik heb binnen enkele uren een vliegtuig te halen dus nee, danku.

Van J. heb ik de avond ervoor afscheid genomen. Ik geef haar de Belgische chocolade die al drie dagen in mijn koffer zit. Ze bedankt en omhelst mij. Ik nodig haar uit om naar België te komen zodat ik haar op mijn beurt kan onderdompelen in het echte Antwerpse leven. “That would be awesome!” zegt ze. En ook “we mailen nog!”. 

En dan is het zover, time to go. Tijdens het wachten op de luchthaven bereid ik mij voor op de logische vragen van het thuisfront: “wat heb je allemaal gezien, wat heb je allemaal gedaan?”. Euhm … eigenlijk niet veel en euhm … eigenlijk niet veel. Maar wat ik allemaal heb beleefd? Teveel op te noemen, because now I’m a local.