Tour de Scandinavie

(of hoe ik de Tour probeerde te volgen op vakantie in het Noorden)

Mijn vriendin en ik vertrekken met de wagen, met de fietsen in de koffer, op de dag na de finale van het WK voetbal. Geen wonder dat de krant in het benzinestation in Duisburg vol staat met foto’s van juichende Duitsers. Op de voorlaatste pagina vind ik toch een mini-artikel over de Tour. Contador stapt eruit en Nibali wint de etappe. Dat is alles wat er staat. De Duitse media en de Tour, de relatie staat duidelijk nog steeds niet op punt.

Op de camping aan de Elbe, niet ver van Hamburg, is er geen wifi. Ik blijf in het ongewisse over de etappe van die dag. De camping in Hillerød, ten noorden van Kopenhagen en onze volgende stop, heeft wel wifi. Maar de verbinding is traag. Het duurt een eeuwigheid voor de website van Sporza is geladen. Ik krijg uiteindelijk enkel de titel van het artikel te zien: ‘Gallopin blijft spurtend peloton voor’. Of Gallopin al de hele dag in een ontsnapping zat, of hij in de laatste kilometer, Jelle Nijdam-gewijs, is gedemarreerd, ik heb er het raden naar. 

Op de ferry tussen Helsingør (Denemarken) en Helsingborg (Zweden) koop ik een Deense krant genaamd Ekstra Bladet. We zoeken een plaatsje in de lounge, met zicht op het water. Ik sla de krant open en vind maar liefst zes pagina’s Tour-nieuws. Eindelijk. Ik zie de volledige rituitslag en het volledige klassement voor mij. Dat doet me denken aan de tijd toen ik als elfjarige jongen met een stuk van twintig frank de Gazet van Antwerpen mocht gaan kopen. Ik kreeg 1 frank terug van de mevrouw van de krantenwinkel en draaide daarmee een kauwgom in de automaat op de stoep. Thuisgekomen besteedde ik uren met het bestuderen van het klassement. Tegenwoordig plaatst de krant die wij lezen (De Morgen) enkel de top tien van uitslag en klassement, de rest moet je maar op de website gaan zoeken. Terug naar Ekstra Bladet. Ik ben het Deens niet machtig, van de artikels en interviews begrijp ik maar enkele woorden. Maar ik zie wel dat de krant veel aandacht heeft voor de Deense deelnemers: er zijn paginagrote artikels over Mørkøv en Fuglsang en naast alle Deense renners staan ook de leden van de Deense Tinkoff-Saxo ploeg vetgedrukt in het klassement.

Enkele dagen voor het begin van onze reis fietste ik van Antwerpen naar de Belgische kust, een tocht van ongeveer 150 km. Ik had de route helemaal uitgestippeld aan de hand van knooppunten en de lange lijst van cijfers op de bovenbuis van mijn koersfiets gekleefd. De hele dag was ik bezig met die knooppunten: welke ik moest volgen, hoeveel ik er al gedaan had, hoeveel kilometers ik nog moest afleggen, of ik er nu één gemist had of niet … Ik ben dorpen doorgereden waar ik niets over kan vertellen, geconcentreerd als ik was op mijn bovenbuis en op die knooppunten. Dan is het vandaag in Zweden aangenamer fietsen. Ik heb geen kaart van die omgeving (wegens, u raadt het al, geen wifi op de camping) en geen idee waar ik naartoe aan het fietsen ben. Deze keer moet ik wel bijzondere aandacht hebben voor de omgeving en herkenningspunten in het landschap zodat ik de weg terug kan vinden. Verloren rijden is geen optie want ik heb maar één bus water en een halve koek bij. Een prachtige alleenstaande villa, een idyllische spoorwegovergang (ja, het bestaat), een kabbelend beekje naast een bloemenveld, een groene wei met in het midden een uitkijktoren, ik prent het mij allemaal in terwijl ik lukraak wegen insla. Het is fantastisch. Als je het mij vraagt dan rij ik deze route binnen tien jaar nog steeds blindelings. Op en neer, constant schakelend, elk detail in het landschap waarnemend. En waar dat blonde meisje in badpak met de bravoure van een F1-coureur het gras van de steilste gazon die ik ooit heb gezien aan het afrijden is, daar is het naar rechts. En de Tour? De Zweedse krant ‘Aftonbladet’ heeft een sportkatern van twintig pagina’s met nieuws over voetbal, golf, atletiek, paardrijden en catch (!). Op de voorlaatste pagina prijken de namen van de eerste vijf renners van de 13e rit in de Tour. Meer niet. En Nibali wint, nog maar eens.

In Oslo fiets ik op aanraden van vrienden naar het hoogste punt van de stad, naar Holmenkollen waar de skischans staat. Onderweg naar boven kruis ik verschillende renners die naar beneden suizen met een brede glimlach op het gelaat. In de eerste honderden meters haal ik, op een veel te groot verzet, enthousiast een man op een mountainbike in. De weg blijft steil naar boven lopen, ook voorbij de skischans en al snel moet ik naar het kleinste blad schakelen. Al peddelend geniet ik van het prachtige panorama op Oslo en zuig ik mijn longen vol frisse buitenlucht. Bijna boven passeer ik een bergmeertje waar er volop gezwommen en gezonnebaad wordt. Helemaal boven drink ik een koffie en eet ik een wafel met slagroom op het terras van een houten chalet en denk ik na over Noorse wielrenners. Met zo’n prachtige helling moet je toch klimmers kunnen kweken. Maar vraag aan een gemiddelde wielerliefhebber om drie Noorse coureurs op te noemen en de meerderheid komt af met Hushovd, Hagen en Kristoff. Sterke beren die het van hun eindschot moeten hebben. Klassieke renners ook, maar geen klimmers. Ik denk aan Dag-Otto Lauritzen, de Noor die in 1987 de etappe naar Luz-Ardiden won en maak een mentale notitie om thuis in de Wielerrevue van dat jaar op te zoeken of hij een gevleugelde klimmer was of toch ook een krachtpatser die op karakter naar boven reed. Ik daal af naar het centrum van de stad en op mijn laptop lees ik dat Kristoff de afgelopen dagen twee massaprints heeft gewonnen. Toch een land van sprinters dus. 

Stavanger is een stadje dat geconstrueerd lijkt te zijn voor cruisepassagiers. Compact, een oude stadskern, een imposante kathedraal, grotendeels autovrij, een groot aanbod van winkeltjes, cafeetjes en restaurants en in het midden van de stad een grote vijver met prachtig aangelegde bloementuintjes er rond. We lopen kriskras door de stad en we passeren een café waar een tv-scherm hangt. ‘Kijk de Tour op tv!’ zegt mijn vriendin en ze vraagt of ik hier iets wil drinken. Ik kijk naar het scherm en zie een renner van Lampre de tijdrit afwerken. Het doet me niets.  ‘Nee, we vinden nog wel iets gezelligers’, zeg ik en we lopen verder. Martin zal wel de tijdrit winnen, Kittel de sprint in Parijs en Nibali de Tour. We komen middenin het grootste culinaire festival van Scandinavië terecht, drinken kersensap en een cappuccino op een zonnig terras en kijken naar de mensen van op een bankje aan het water. Ondanks dat ik zo weinig van de Tour gezien heb, ervaar ik toch een gevoel van overkill. Eigenlijk zoals elk jaar tijdens het laatste weekend van de Tour. Maar op dat bankje aan het water denk ik wel na over waar ik de volgende dag ga fietsen. De liefde voor het fietsen zal altijd blijven.

Oorlog op de kasseien

Je kan er de Tour niet winnen maar je kan 'm er wel verliezen. 

(dit stukje sluit aan op een verhaal dat ik schreef voor de Bibliotheek van Babel, lees het hier)

 Foto: Sydney Morning Herald

Foto: Sydney Morning Herald

Ik durf ervoor wedden dat in de agenda van heel veel Tourdeelnemers de etappe van 9 juli tussen Ieper en Wallers al een hele poos met rood staat aangeduid. De kasseispecialisten (Cancellara, Vanmarcke, Van Summeren) kijken er geweldig naar uit terwijl Froome, Valverde en Contador vooral hopen dat ze die avond nog op een gunstige positie in het klassement staan.

Wel of geen kasseien in de Tour: het levert aardig wat stof tot discussie op. Hierbij vijf redenen om de stenen wel een plaats te geven in de belangrijkste wielerwedstrijd van het jaar:

1. De charme

Stenen bepalen het karakter van de streek rond Roubaix. Zo schreef oud-Tourbaas Jean-Marie Leblanc in 1999: 

'De baksteen is de koningin van de Lage Landen. Deze rustieke, rode baksteen, die niets anders is dan de vrucht van aarde en het vuur. Er zijn kloosters en citadellen mee gebouwd, kastelen en schoorsteenpijpen. Het is een hele troost dat de baksteen nog heel lang de harten van onze huizen zal verwarmen.'

De streek, de industrie en de koers zijn al jarenlang met elkaar verbonden, ook dankzij de klassieker Parijs-Roubaix. Het hoort zo, in het noorden, de regio van het harde labeur. 

2. De geschiedenis

100 jaar geleden speelden kasseien een veel grotere rol in de Tour, simpelweg omdat er geen andere wegen bestonden. Vooruitgang betekende ook betere (asfalt-) wegen en de hobbelige kasseibanen verdwenen een voor een. Behalve in Noord-Frankrijk. Kasseikoersen werden voer voor specialisten. Maar mogen we dan niet verwachten dat een renner die voor het klassement gaat, ook over kasseien moet kunnen rijden? 

3. C'est une connerie

De gevleugelde woorden van vijfvoudig Tourwinnaar Bernard Hinault. In 1980 vond hij het keientraject van de etappe tussen Luik en Rijsel pure onzin, terwijl hij de uitgeregende rit wel zou winnen, in een ontsnapping met Hennie Kuiper en twee minuten voor op al de andere favorieten. Later die Tour moest hij opgeven wegens kniepijn, een ontsteking opgelopen tijdens die bewuste etappe. Het kwam nooit meer goed tussen Hinault en de kasseien.

4. De man met de hamer

Ook in 1985 stond er een kasseienrit op het programma. Twee Nederlanders ontsnapten: Teun Van Vliet en Henri Manders. Manders mocht van ploegleider Raas niet aan kop komen en Van Vliet dan maar de grootste inspanningen voor zijn rekening. Met gevolgen: Van Vliet reed zich helemaal stuk en moest Manders laten rijden. Ook de rest van het peloton, met een sterke Panasonicploeg op kop, kwam niet meer terug en Manders haalde de mooiste overwinning uit zijn carrière. 

Bekijk hier een fantastisch verslag van deze etappe. Valpartijen, lekke banden, Teun Van Vliet die niet meer vooruit geraakt en een renner die in volle koers geïnterviewd wordt: het komt allemaal aan bod. 

5. Toen Armstrong menselijk bleek te zijn

Vier jaar geleden werden de renners de laatste keer over de kasseien gejaagd. Fränk Schleck viel en brak zijn sleutelbeen. Lance Armstrong had pech en verloor twee minuten op Contador. Het bleek de Tour te zijn waar bleek dat Armstrong ook maar een mens was, met of zonder verboden hulpmiddelen. 

Winnaar in 2010 werd Thor Hushovd, de Noor die recent aankondigde met wielrennen te stoppen en die er dit jaar niet bij is. De rest van de top tien toen:

- Geraint Thomas: de Brit van de Skyploeg is dit jaar zeker een kanshebber, of moet hij bij zijn kopman Froome blijven?

- Cadel Evans: niet in de Tour

- Ryder Hesjedal: niet in de Tour

- Andy Schleck: niet meer in de Tour

- Fabian Cancellara: altijd een favoriet op de kasseien, zeker nu zijn kopman (?) Andy Schleck is uitgevallen 

- Johan Van Summeren: ex-winnaar van Parijs-Roubaix, zeker een kanshebber

- Bradley Wiggins: (helaas) niet in de Tour

- Jurgen Van den Broeck: kan de Belgische hoop op een podiumplaats hier tijd terugnemen op andere kanshebbers?

- Alexandre Vinokourov: gestopt als wielrenner en dus (gelukkig) niet in de Tour

Connerie of niet, deze etappe levert gegarandeerd spektakel op. 

Elke dag koers

(of de stem die ik in mijn hoofd hoor wanneer ik samen met mijn liefje naar het werk fiets)

Daar komen ze in beeld, dames en heren, de twee leiders in koers: De Craene en Daems. Ze zijn al een tijdje samen onderweg en het lijkt erop dat zij voor de overwinning gaan strijden, hun voorsprong is geruststellend groot. Ze rijden hier achter elkaar, dat is ook het veiligst gezien het drukke verkeer in de Viséstraat en de Oranjestraat. Nu even opletten want er volgt een moeilijke bocht naar links met meteen daarna een korte kasseistrook voor het huis van Panamarenko. Het schijnt dat onze televisie-helikopter zou kunnen landen op het dak. Inderdaad daar is een helikopterplatform gebouwd. Dat zijn mooie beelden.

Rood licht

Maar terug naar de koers want de koplopers zijn al in de Oude Steenweg. Het tempo blijft hoog, hopelijk hebben ze nog energie genoeg om de altijd winderige strook langs het Sint-Jansplein te trotseren. Dat lukt, nu komen ze aan de Leien, hier kunnen ze even op adem komen aan het rode licht. Ze beginnen naar elkaar te kijken, logisch natuurlijk want het is niet ver meer tot aan de aankomst.

Groen! Een snelle start is nodig zodat ze ook bij het volgende licht door het groen kunnen rijden. Ze rijden op de Paardenmarkt en maken zich klaar voor het moeilijkste stuk van het parcours: de kasseien van de Falconrui. Het zou mij niets verbazen mocht hier de beslissing vallen.

Wordt het een sprint?

Een bocht naar rechts en meteen linksaf en hier komen ze. Daems gaat op kop en gaat er vol voor, er valt een klein gat maar De Craene bijt zich vast en lost niet. In de Huikstraat komt ze terug aansluiten. Gaan we naar een sprint?

De laatste honderden meters, dames en heren, we naderen de ontknoping. Het tempo stokt, ze kijken naar elkaar. Daems gaat op kop de Zirkstraat in, nog één bocht naar links en we zitten in de laatste rechte lijn. In het zicht van de vaste camera gaat Daems nu vol door op het vals plat van de Hofstraat. Wat een kracht gaat daarvan uit! Maar De Craene plooit niet, nee nee, het is nog niet gedaan. 

Daems voelt zich zegezeker en kijkt rechts achterom. Maar wat hij niet ziet is dat De Craene langs links demarreert, op de grote plaat. Kan Daems nog reageren? Ik denk het niet, hij moet eerst schakelen en dat duurt zo lang.

De laatste meters

De laatste meters gaan bergaf de Wisselstraat in. Daems probeert nog maar De Craene gaat dit niet meer afgeven. Zij komt als eerste over de streep. Ja ja, dames en heren, kijk eens naar de blijdschap op haar gezicht. Mooi om zien. Daems volgt enkele seconden later en klopt ontgoocheld op zijn stuur.

‘Morgen is er een nieuwe kans, Michel’, vertelt Daems achteraf aan onze commentator. ‘Nu ga ik me niet meer laten ringeloren. Maar als je ons nu wil excuseren, het is bijna 9 uur, we moeten beginnen werken.’

Bedankt om te kijken, dames en heren, en graag tot een volgende keer! 

Het Rennerke

Als ik niet vol in de remmen had gemoeten voor een slippende voorganger, ik was er pardoes voorbij gefietst. Eén seconde heb ik nodig om te weten welk klein dingetje daar van op de grond een straal zonlicht in mijn ogen flitst. Een mini-fietser, een wielrenner van plastic, drie op drie centimeter klein. Een rennerke. Mijn hart klopt in mijn keel zoals de fiets van Tom Boonen over de kasseien van Parijs-Roubaix dendert. Een rennerke! 

Ik ontwijk de fietsers die achter mij komen en zet mijn mountainbike tegen een boom. Ik doe mijn handschoenen uit en pak het rennerke vast. Hij zit onder de modder. Ik geef hem een verkwikkende douche met mijn speeksel en droog hem af met de mouw van mijn jasje. Hij ziet er prachtig uit. Hij draagt een witte koerstrui met korte mouwen en een zwarte koersbroek. Zijn sokken hebben dezelfde kleur als zijn gladde benen en zijn schoenen hebben dezelfde metaalkleur als zijn fiets. De witte pet op zijn hoofd verraadt dat het een rennerke uit mijn jeugd moet zijn toen er van verplichte valhelmen nog geen sprake was.

Het is zondagochtend, nog geen negen uur en het vriest boomwortels uit de grond. Maar ik spring niet terug de fiets op om mijn tocht door de Herentalse bossen verder te zetten. Ik zet mij op de dichtstbijzijnde boomstronk terwijl de andere deelnemers van de toertocht mij passeren. Ik vang af en toe een “ça va?” en een “pech?” op maar echt registreren doe ik dat niet. Het rennerke palmt mij zodanig in dat ik mijn handen zelfs niet voel verkleumen.

Mijn gedachten fietsen nu in sneltempo achteruit om aan te belanden bij mijn kindertijd in ons huis in de Marialei. Ik zit aan de eettafel en mama spreidt het blokjestafelkleed uit. Ik open mijn doos met rennerkes. Zorgvuldig plak ik een nummer op de rug van elke deelnemer en nauwgezet noteer ik namen en nummers in mijn koersschriftje. En dan klinkt het startschot. Ik gooi met de twee dobbelstenen en zet rennerke na rennerke vooruit op het tafelkleed. In stilte geef ik commentaar en co-commentaar bij de wedstijd. Ik zit volledig in mijn eigen koerswereld.

Drie tussensprinten, twee bergprijzen en één massale valpartij later (mijn kleine broer vond het nodig aan het tafelkleed te trekken …) is het tijd om de prijzen uit te delen aan de meet. En dat alleen maar omdat mama mijn parcours nodig heeft om de avondmaaltijd op te serveren. Ach ja, dan organiseer ik na het eten wel een nieuwe rit.

Ik ontwaak uit mijn dagdroom omdat mijn achterwerk het, ondanks dat zemen vel in mijn broek, nu verdomd koud krijgt op die boomstronk. Ik steek het rennerke in het sleutelvakje vooraan in mijn koersbroek en spring gezwind op mijn fiets. Nu ben ik zelf een rennerke. Ik gooi mijn innerlijke dobbelstenen naar tweemaal zes ogen en ga als een bezetene tekeer. Ik vlieg elk heuveltje op om punten voor de bergprijs binnen te halen, ik haal vol risico andere fietsers in om toch maar die ingebeelde tussensprinten te winnen. In de laatste kilometer krijg ik mijn kompanen waar ik die ochtend mee gestart ben in het oog. Ik haal ze in en met een splijtende demarrage laat ik ze achter. Helemaal warm vanbinnen bereik ik alleen de aankomst.

“Wat had jij ineens?” vraagt een vriend terwijl ik al aan het aanschuiven ben aan de afspuitstand. “Tja, een goeie dag zeker?” antwoord ik. Onopvallend tast ik naar het rennerke in mijn broek. Een hele goeie dag! 

De Grote Ronde met Kleine Renners #3


En een val! Oei oei oei, dat ziet er niet goed uit. Een renner van de groene ploeg is van de weg af geraakt, hier ligt hij. En het doet pijn, dat is van zijn gezicht af te lezen. Het is nr. 15, Groen zelf. Wat een pech voor deze sterke beer, toch één van de favorieten vandaag. Heb jij gezien wat er gebeurd is, Mark?

Ik denk dat het bij die wegversmalling gebeurd is, Louis. Ja, Groen was even niet geconcentreerd genoeg waarschijnlijk. Als je hier in de berm terecht komt, dan is het snel gebeurd hoor. Kijk, zijn voorwiel is helemaal stuk. Misschien tegen dat paaltje gebotst?

Er is een ploegmaat die komt kijken of alles in orde is. Misschien kan Groen met de fiets van zijn helper verder rijden. Als hij nog verder kan tenminste, want dat was een zware klap. Ik kan mij voorstellen dat hij er geen zin meer in heeft. 

Ja, en de rest gaat niet wachten hoor. Die koersen verder, alsof er niets aan de hand is. 

De Grote Ronde met Kleine Renners #2


Hier is Oranje, de Colombiaan van de kopgroep, mooi in beeld. Kijk eens, hoe klein die wel is in vergelijking met zijn gezellen in deze vlucht. Ongelooflijk. Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat hij die anderen kan volgen. Met die korte beentjes. 

Inderdaad, Louis, het lijkt wel David tegen twee Goliaths. Maar vergis u niet, die korte beentjes zijn wel heel sterk en kunnen onwaarschijnlijk hard op de pedalen duwen. Je ziet dat ze nu op een vals plat aan het rijden zijn. Als het maar omhoog gaat, Oranje heeft niet liever. 

Ik weet niet hoeveel kilo's hij lichter weegt dan de twee anderen maar het zullen er een pak zijn. Denk jij dat Oranje en bij uitbreiding de ganse Colombiaanse ploeg een hoofdrol kan spelen in het komende wereldkampioenschap in Firenze? 

Of dat ze een hoofdrol kunnen spelen? Absoluut. Ze zouden wel eens de verrassing kunnen worden, het parcours is in ieder geval zwaar genoeg voor hen. Mocht ik geld op de bank hebben, ik zou een gokje durven wagen op die Colombianen en op de eerste plaats op deze Oranje. 




De Grote Ronde met Kleine Renners #1


Kijk, een mooi beeld van midden in het peloton. Hopelijk haalt de man op de motor geen al te halsbrekende toeren uit om dit te filmen. Veiligheid voor alles, nietwaar Mark?

Ja, Louis, uiteraard. Maar de renners zijn het wel gewoon om hier mee om te gaan. Wat mij wel opvalt op dit beeld: nr. 81 zit in het midden van het pak.

Nr. 81, één van de grote favorieten, Paars.

Wel, ik vraag mij af waar zijn ploegmaten zijn. Het begint hier toch stevig naar boven te lopen, met klimpercentages tot 9%. Op dit moment is het rustig in het peloton maar dat kan elk moment veranderen. Stel dat er nu iets gebeurt met Paars, een lekke band ofzo, gaat de ploeg hem dan kunnen helpen?

Tactisch lijkt me dit inderdaad niet zo sterk. Op dit smal weggetje zal het ook een eeuwigheid duren vooraleer de wagen van de ploegleider erbij geraakt. Laat ons hopen voor Paars dat er niets gebeurt. Blijf bij ons, dames en heren, voor het vervolg van deze koers. 



Een kartonnen fiets sterker dan carbon?

Het kostte Izhar Gafni drie jaar ontwikkeling en waarschijnlijk veel gevloek maar hij kon onlangs zijn kartonnen fiets presenteren. Jawel, een fiets van karton. En die fiets is sterker dan carbon! En die fiets weegt minder dan 10 kg! En vooral: die fiets kan gemaakt worden voor 9 dollar! Ongelooflijk.

Volledig karton wil ook zeggen super ecovriendelijk. Als je karton vouwt dan wordt het niet dubbel zo sterk maar driedubbel. Om bezig te blijven zette hij er ook een onderhoudsvrij pedaalsysteem op. En de fiets ziet er dan ook nog eens mooi uit.


Serieus, 9 dollar om een fiets te maken. Dan moet je met alle kosten erbij (transport, commissie, ...) nog op een fiets met een verkoopprijs van minder dan 20 euro uitkomen.

Wat een mogelijkheden: fietsen wordt nog democratischer. Iedereen op de fiets, bijvoorbeeld ook in arme landen. En iedereen wordt er beter van: de fietser, de algemene conditie van de mens, de conditie van onze wereldbol ...

Nog even afwachten natuurlijk of het echt zo'n vaart loopt. Ik zou er kunnen inkomen dat de fietsindustrie dit met argusogen volgt en dat de fietsfabrikanten die nu voor +/- 1.000 euro gewone stadsfietsen verkopen, er nog een stokje voor willen steken.

De infrastructuur zal ook moeten volgen als iedereen aan het fietsen slaat. Ik ken steden waar het nu al filerijden is, ook op de fiets. Maar toch, wat een uitvinding!




Toertocht Bikers de l'Alleu, 7 oktober 2012, Braine l'Alleud

Moeten we nu Braine l'Alleud of Eigenbrakel zeggen? Halverwege de toertocht van Bikers de l'Alleu zien we op een opgehangen kaart bij de tweede bevoorrading dat we ons exact op de taalgrens bevinden. We vragen in het Frans of ze onze drinkbus kunnen vullen. Natuurlijk, krijgen we terug in het Nederlands. Vriendelijke mensen, die taalgrensbewoners.

Het was nog donker toen we om 7 uur met vier vrienden en vier mountainbikes in de camionette stapten voor een rit van Antwerpen richting Brussel. Iets na acht uur waren we klaar om te vertrekken aan het Collège Cardinal Mercier met de opkomende zon als onze grootste supporter. Het had de afgelopen dagen onophoudelijk geregend, we konden ons aan een zwaar parcours verwachten. Ik had ook nog ergens gelezen dat deze toertocht in feite zwaarder is dan pakweg zie in Houffalize. Slik. 



De eerste kilometers tonen aan dat het niet makkelijk zal worden. Een technisch stuk single-track door het bos waarbij mijn grootste zorg is om niet van de weg schuiven richting prikkeldraad. En het wordt er niet beter op. Steile klimmetjes, gevaarlijke afdalingen, modder en plassen bij de vleet en op de koop toe ook nog mulle zandstroken. Het wordt snel duidelijk dat we hier geen hoog gemiddelde zullen halen. 

Het is mijn eerste toertocht van het jaar en ik denk al snel dat ik beter ergens in het Antwerpse mijn debuut had gemaakt. Ik kom net terug van vakantie in Amerika waar ik enkel op de fiets heb gezeten voor een pleziertochtje langs de kust van Santa Monica. Ik zie af als de beesten en ben duidelijk de minste van ons viertal. Zowel omhoog als omlaag moet ik ze laten rijden, eerst zoek ik nog excuses (mijn ketting is versleten, ik kan niet goed schakelen, blah blah blah ...) maar het duurt niet lang ik moet aan mezelf toegeven dat de benen gewoon niet goed genoeg zijn. 

De omgeving maakt veel goed. We rijden door een prachtige streek: dichte bossen, glooiende weilanden, pittoreske dorpjes, verlaten boerderijen, ... enkel een zeldzaam verkiezingsbord verstoort de rustieke schoonheid. Vriendelijke mensen ook. De 'bonjours' vliegen ons rond de oren. Ik probeer met mijn ogen dag terug te zeggen want de rest van mijn lijf is te vermoeid om te antwoorden of om een hand op te steken.



Veel energie verbruiken betekent dat die moet aangevuld worden. En dat is hier geen enkel probleem. Twee uitgebreide bevoorradingen met onder meer sportdrank in allerlei kleuren, bananen, een uitgebreid assortiment koekjes, suikerwafels, abrikozentaartjes en sinaasappels. Als we eindelijk, na 45 loodzware kilometers, zijn aangekomen kunnen we in de refter van het college nog een 'pain saucisse' tot ons nemen. 

Die zijn zo lekker dat ik er een tweede ga bestellen. Aan de barbecue waar die worsten gebakken worden doe ik opnieuw mijn best om Frans te spreken:
'Deux pains saucisse, s'il vous plait!'
'Hoe ging het vandaag?' zegt de bakker/lid van de plaatselijke fietsclub.
'Dur, dur ...' (ik kan nog net 'd'être bébé' inslikken)
'Mogen er ajuintjes op?'
'Oui, et aussi ketchup et moutarde!'
'Alles erop dus?'
'Ja ... euh oui!'

Leuk zo een toertocht bij de taalgrens.